Het MTC is met ingang van 22 mei a.s. weer open voor het sporten. Wij proberen u zo snel mogelijk persoonlijk hiervan op de hoogte te brengen. U kunt ons natuurlijk ook zelf bellen op nummer 030-6561832

Sensomotorische-integratie of Sensorische integratie

Sensomotorische integratie of sensorische integratie (een andere term voor hetzelfde), is de samenwerking tussen waarnemen en bewegen. Hierdoor is het mogelijk om bewegingen in doelgerichte handelen om te zetten, en ons bewust te worden van onszelf en onze omgeving.

Het menselijk lichaam heeft een aantal systemen waarmee het kan waarnemen, zoals het evenwichtsorgaan, de ogen, de oren en de propriocepsis (de sensoren in de spieren, pezen en gewrichten die registreren in welke stand een gewricht staat). Daar horen ook nog de zintuigen bij waarmee je kan voelen (de tast), proeven en ruiken.

Waarnemen is altijd aan bewegen verbonden, en het bewegen met het waarnemen. Om scherp te zien moeten de ogen bewegen, en door de vingers te bewegen kan een voorwerp beter worden gevoeld. Het is niet mogelijk om te bewegen zonder iets waar te nemen, en er kan niet worden waargenomen zonder bewegen. Waarnemen en bewegen beïnvloeden elkaar voortdurend.

Bij het op een normale manier verwerken van waarneemprikkels, of zintuigprikkels, zijn er een aantal stappen die onderscheiden kunnen worden:
- Onderzoeken: Een baby onderzoekt een nieuw speeltje niet alleen met zijn vingers, maar stopt het ook in de mond om te proeven.
- Ordenen: Het kind “weet” eigenlijk al dat het speeltje op een bepaalde manier voelt, en hoeft niet altijd meer het speeltje in de mond te doen om dat te controleren. 
- Integreren: Het kind weet wat het met een voorwerp moet doen; een blokje is om te bouwen, en niet om mee te gooien bijvoorbeeld. Een bal is wel om mee te gooien of om mee te voetballen.

Stel het kind heeft een nieuw voorwerp gevonden, en dat gaat het onderzoeken. Het voorwerp wordt vastgepakt, bekeken, in de mond gestopt, enz. Dat is een normaal proces voor jonge kinderen. 
Als dit voorwerp de moeite waard is, dan zal het ermee gaan spelen. Zo zal het kind het voorwerp de volgende dag herkennen. 
Doordat het voorwerp de vorige dag al goed is onderzocht hoeft dat niet opnieuw (er is “geordend”), en kan het kind er meteen mee gaan spelen. Blokjes zijn ervoor om gestapeld te worden, een bal is om te rollen of te gooien, enz. 
Het voorwerp is onderzocht, geordend en geïntegreerd in het spel.

Naast het onderzoeken van een prikkel heeft een zintuig ook een waarschuwend vermogen. Waarschuwen tegen gevaar wanneer de prikkel te heftig wordt. Als een prikkel te heftig wordt, er gevaar dreigt, wordt die prikkel niet meer onderzocht.
De reactie van het lichaam is dan om die prikkel te vermijden, om er voor weg te lopen. 
Dit is een overlevingsstrategie, goed in bepaalde situaties, zoals bij brand. In andere situaties is dit niet de beste strategie. Over zulke situaties gaat de rest van deze tekst.

Bij kinderen met problemen in de sensomotorische integratie overheerst de overlevingsstrategie. 
Er wordt op teveel prikkels gereageerd en er wordt vaak te sterk of helemaal niet gereageerd; het kind laat de prikkels dan letterlijk over zich heen komen.

Als een kind (onbewust of bewust) voor deze strategie “kiest”, zal het weinig prikkels willen onderzoeken. 
De trampoline geeft een te gevaarlijke prikkel, de koprol is te eng. Het kind zal deze activiteit mijden, en er geen plezier aan beleven.

Hieronder zijn een aantal voorbeelden die gevolgen kunnen hebben voor het bewegen van uw kind.

De volgende situaties kunnen ontstaan doordat er wellicht een probleem is met de sensomotorische integratie:
- niet graag op schoot willen zitten
- problemen met wassen, haren kammen en knippen
- moeilijk eten (heel kieskeurig eten)
- bepaalde kledingkeuze; sommige kleding wel of juist niet
- niet willen spelen met zacht materiaal
- moeilijk kunnen luisteren; doordat ze zelf erg veel en hard praten of gillen
- aan alles ruiken
- onhandigheid in de motoriek
- slechte oog-hand-coördinatie
- moeite met automatiseren
- kwijlen op een leeftijd waarop dat eigenlijk niet meer te verwachten is
- te hoge pijngrens
- geen plezier beleven aan bewegingsspelletjes
- niet van schommels of draaimolens houden (of pretpark)
- snel autoziek
- billenschuiven
- veel op de grond liggen; “dweilen”

Bij kinderen met ADHD, PDD-NOS of een andere aandoening zijn er tips te geven om de kinderen rustiger te laten werken.

Als u na het lezen van bovenstaande nog twijfels hebt, kunt u altijd contact met ons opnemen. Tel. 030-6561832 of via: info@fysiodijk.nl

Vraag dan naar Ellis Peltenburg of Jan Overgoor